'Vorige zondag heb ik er ruim 200 kilometer mee gereden – met een motortje van 13 pk.'Patrick Van Mol - Voorzitter Dwergautoclub België
Vandaag is hij met zijn Vespa 400 (1958) op pad. Het is stralend weer en hij opent het dakje. ‘Deze heeft een achterbank, maar de passagiers steken wel boven de daklijn uit’, lacht hij. ‘Hij haalt in principe 90 kilometer per uur. Toen ik hem pas had, hebben we er de Mont Blanc langs drie zijden mee beklommen. Het was snikheet. We zijn boven geraakt, maar onderweg moest mijn vrouw wel meermaals uitstappen. En ik moest kilometerslang in eerste versnelling rijden, want in tweede viel hij stil.’ (lacht)
Een Franse vriend maakte een nog indrukwekkender reis. ‘De eerste reclamebeelden van dit model werden gemaakt met het Kremlin als achtergrond’, vertelt Van Mol. ‘Hij wilde ook zo’n foto en is er met de zijne naartoe gereden. Hij had zowat alles bij wat onderweg stuk kon gaan, maar géén zijvenster. En dat ging natuurlijk stuk.’
Van Mol heeft ook een BMW 600 (1958), een ‘grote’ Isetta met achterbank en zelfs een achterportier. ‘Dat is een vrij bekend exemplaar: die auto is van Hugo Van Praag geweest, de oprichter van de gelijknamige elektroketen, en heeft het kenmerkende zebramotief.’
Minder dan 700 cc
De mannen hebben een reeks kleurrijke en bijzonder mooi vormgegeven objecten bijeengebracht.‘Ik verzamelde destijds al klassieke auto’s en motorfietsen en werd eens uitgenodigd voor een rondrit’, vertelt bestuurslid Firmin Peeters (77), in wiens keldergarage de club maandelijks samenkomt. ‘Ik vond de sfeer zo gezellig dat ik na afloop ook een dwergauto heb gekocht.’
Dat was een Heinkel Kabine 153 (1958), een driewieler. ‘Eigenlijk is het een overdekte scooter’, lacht hij. ‘Later kwam de Citroën 2pk (1986) erbij, de auto waarmee ik op mijn achttiende begon te rijden. Vervolgens kwam ook de Simca 5 (1948) bij de collectie, een iconisch Frans bakkers- en postautootje.’
‘Dwergauto is geen vastomlijnd begrip’, zegt zijn zoon Kurt Peeters (43), webmaster en secretaris van de club. ‘Wij definiëren ze als auto’s met een cilinderinhoud van minder dan 700 cc. Daardoor kan ook de 2pk erbij. De Nederlandse club is wat strenger en legt de limiet op 600 cc.’
Peeters junior is een wandelende dwergauto-encyclopedie. ‘Een van de vroegste varianten was de Fiat Topolino, die in 1936 op de markt kwam. Dat was de Volkswagen van Mussolini, die volgens de overlevering Hitler inspireerde. Voor de Franse markt moest Fiat zware importtaksen betalen, waardoor het dan maar Simca oprichtte en ter plaatse de vrijwel identieke Simca 5 bouwde, weliswaar met onderdelen van Franse toeleveranciers. In Duitsland deden ze hetzelfde met NSU.’
‘De dwergauto werd vooral een verschijnsel na WO II, toen Europese autofabrikanten zwaar te lijden hadden’, gaat hij door. ‘Merken zoals BMW, Heinkel en Messerschmitt waren actief geweest in de vliegtuigindustrie, wat hen na de oorlog werd verboden. Ze vonden een alternatief in de dwergauto. Daar was ook een markt voor. Veel mensen hadden alleen een fiets of brommer. Ze verlangden naar iets anders, maar voor chique auto’s hadden de meesten geen middelen.’
Autobiografie
Kurt Peeters (43), ingenieur bij Atlas Copco
- Daily: Mercedes-Benz C200 CDI W204 (2008). ‘Geen idee of zoiets ooit een klassieker wordt.’
- Eerste: Mercedes-Benz 200D W124 (1985). Op mijn 17de gekregen van mijn oom, en ik heb hem nog steeds – roestvrij en tiptop in orde.’
- Beste: Mercedes-Benz 200D W124 (1985).
- Slechtste: geen.
- Met spijt verkocht: ‘Ik heb niets verkocht.’
- Droom: Mercedes-Benz 300SL Gullwing. ‘Maar voor de Dwergautoclub ligt dat moeilijk. Het zal wel een droom blijven.’
Nicheclub
‘De Isetta heeft BMW van de ondergang gered’, zegt hij. ‘Het concept werd uitgedokterd door de Italiaanse fabrikant van huishoudtoestellen Iso. De enige deur zit vooraan in het autootje en wordt weleens vergeleken met die van een koelkast, hun belangrijkste product. In 1954 kocht BMW een licentie. Het gebruikte de motor van een motorfiets. In Frankrijk was er de Velam Isetta, met een andere motor.’
'De Isetta heeft BMW van de ondergang gered.’Kurt Peeters - Ingenieur bij Atlas Copco
De meeste dwergauto’s werden gebouwd tussen 1955 en 1963. Een korte periode, dus. ‘Dit is dan ook een club voor een nichepubliek’, aldus Peeters. ‘Er zijn ook wel wat youngtimers, zoals de eerste Smarts. Of de Japanse ‘kei’-cars: auto’s met minder dan 1000 cc, zoals een Suzuki Cappuccino.’
Tegenwoordig duiken er weer gloednieuwe dwergauto’s op, zoals de op de Isetta geïnspireerde Microlino, de nieuwe Fiat Topolino, de Citroën Ami en de Opel Rocks. ‘Zeer fijn allemaal, maar het is niet de bedoeling dat je daarmee lid wordt’, aldus Peeters. ‘We zijn een oldtimerclub.’
Rariteiten
Wie in de imaginaire clubgarage duikt, vindt een schat aan bijzondere, maar vergeten creaturen. Een Autobianchi is onder autoliefhebbers vrij bekend, maar wat is in godsnaam een Goggomobil? Ze lachen. Een Duitse dwergauto met tweetaktmotor, zo blijkt. ‘Die ging op in het merk Glas, dat later werd gekocht door BMW’, aldus Peeters. ‘En ken je een Sulky?’, vraagt Van Mol. ‘Dat is een rijbewijsvrij autootje met een 45 cc-motortje en een pedaal voor wanneer je niet bergop raakt met een passagier aan boord. In België zijn er amper, de meeste bevinden zich in Frankrijk. Net als de Solyto 175 cc, een Franse microbestelwagen uit de jaren 1950.’
Hijzelf heeft een Mochet (1951) in zijn collectie. ‘Die werd ontworpen vanuit de opvatting dat wat er niet op zit ook niet stuk kan’, lacht hij. ‘En dat werd zeer letterlijk genomen: vooraan is er een vering, maar geen remmen, achteraan zijn er remmen, maar geen vering. Het is meer een museumstuk dan iets om mee te rijden. Het wagentje staat op een soort fietswieltjes. Mochet bouwde ook ligfietsen waarmee de Ronde van Frankrijk werd gereden, tot het reglement stipuleerde dat het frame van een fiets uit twee driehoeken moest bestaan.’
Mr. Bean
Ook nooit van gehoord: de Fuldamobil uit de gelijknamige Duitse stad. Of de Engelse Bond Bug, een driewieler uit de jaren 1970 die er nog vrij hedendaags uitziet. Nog zo’n driewieler is de Reliant Regal Supervan III, de bestelwagen die een running gag vormt doorheen de ‘Mr. Bean’-reeks uit de jaren 1990, met notoir autofanaat Rowan Atkinson in de hoofdrol.
‘Ook zeer apart is de Zundapp Janus’, zegt Firmin Peeters. ‘Die heeft één deur, en de voor- en achterbank staan met de ruggen tegen elkaar. De achterpassagiers zitten dus tegen de rijrichting in. Als je te veel gedronken hebt, kan het goed zijn dat je instapt en het stuur niet vindt.’ (lacht)
‘In de club hebben we ook een uiterst zeldzame Belgische VSM’, voegt Van Mol nog toe. ‘Toen na WO II het circuitracen populair werd, bouwden mensen thuis in de garage gewoon zelf hun racewagen. Zo ook de Belgische matrassenfabrikant Victor van den Brempt, die samen met zijn zonen Stanislas en Maurice drie exemplaren bouwde op basis van de Fiat Topolino, waarmee ze deelnamen aan formule 3-races. Maurice heeft nog steeds zo’n auto, de tweede is bij een clublid, de derde werd ontmanteld voor onderdelen.’
Dolle pret
Intussen telt de club zowat 45 leden. ‘We hebben mensen van alle slag’, zegt Van Mol. ‘Van de fabrieksarbeider tot de directeur delen dezelfde passie. Ik ken ook beroepspiloten die in hun vrije tijd met zulke dingen rondrijden.’
‘Onlangs meldde een man zich met een Messerschmitt die al ruim veertig jaar stilstaat. Hijzelf is in de tachtig, maar wil er opnieuw mee rijden en maakt er nu een project van. Er zijn ook jongeren, ja. Onlangs werden we gecontacteerd door een Waal die samen met zijn vader een mooie collectie heeft. We willen graag meer mensen uit Wallonië: daar staan nog veel dwergauto’s verborgen. Maar voor velen is de afstand een probleem. In Nederland rijden ze van Friesland tot Zeeland. Ook in Engeland en Frankrijk rijden ze het hele land door. Hier lijkt het alsof de taalgrens een barrière opwerpt.’
‘Voor jongeren zijn dwergauto’s ook niet meer goedkoop’, vult Firmin Peeters aan. ‘De Heinkel kochten we in 2007 voor 7.500 euro. Nu zie ik er een aangeboden voor 17.000 euro. Voor een 2pk in goede staat mag je ook 10.000 tot 15.000 euro rekenen.’
‘Zo kreeg ik er als kind een van mijn tante nadat hij niet meer door de technische keuring kwam’, vertelt zijn zoon. ‘De auto stond bij ons in de tuin, om in te spelen. Maar finaal moest hij naar het oud ijzer. Die auto was beter dan het exemplaar dat we jaren later kochten om te restaureren. Vaak gaat de liefde voor auto’s gepaard met dergelijke jeugdherinneringen. Je kunt je dus afvragen hoe je iemand van twintig in een Isetta krijgt. Die heeft daar geen herinneringen aan.’
‘In hun vrije tijd hebben jonge mensen vaak andere zorgen’, zegt Van Mol. ‘En steeds meer kunnen ze niet meer met een handgeschakelde auto rijden. Maar de liefde van bestaande verzamelaars gaat vaak wél over op de volgende generaties. Ik leer nu mijn kleindochter rijden met mijn autootjes. De BMW 600 vindt ze dolle pret.’
Sympathie en vrolijkheid
Er wordt veel gelachen in en rond de Dwergautoclub. ‘Tijdens rondritten wekken onze auto’s altijd sympathie en vrolijkheid op’, zegt Van Mol. ‘We bezoeken dan bijvoorbeeld het DAF-museum in Eindhoven, of het Abarth-museum van Guy Moerenhout in Lier. Of we rijden mee met andere clubs, zoals de Mechelse Autorenstal MAK. En we proberen het ook voor dames boeiend te houden.’
Hij stopt er veel tijd en energie in. ‘Vorig jaar reden we naar Wodecq, in Henegouwen. Om de route uit te stippelen rij ik dan zelf twee- tot drieduizend kilometer – dat doe ik met een gewone auto, ja. Ooit kwamen we tijdens de voorbereiding heel toevallig iemand met een BMW Isetta tegen. Het was de auto van zijn opa. Die had hij gerestaureerd, en hij maakte een proefrit. En terwijl we stonden te praten, kwam er nóg een bij! Dat was een stel dat op de terugweg was van Parijs naar Bremen.’ (lacht)
‘Ikzelf neem ook deel aan internationale treffens. En al veertien jaar lang organiseren we eind april zelf een internationaal dwergautoweekend. Dan hebben we zo’n zeventig gasten. Het is een hele onderneming. We huren dan vakantiehuisjes en een grote zaal, waar we ‘s avonds samen eten. Sommigen komen met de aanhangwagen, waarvoor we plaats moeten voorzien. Er moet ook altijd technische ondersteuning en een depannagedienst zijn. In de club sta je er nooit alleen voor.’
Het lidgeld bedraagt 40 euro. ‘We hebben best wat kosten, zoals de webspace en de bijdrage aan de Belgian Historical Vehicle Association (BEHVA), waardoor clubleden een voordelige verzekering kunnen genieten’, aldus Kurt Peeters.
‘Het gaat over veel meer dan auto’s’, zegt Van Mol. ‘In een club is de vriendschap cruciaal. Bij de activiteiten probeer ik altijd zoveel mogelijk mensen te betrekken. En ja, zoals in elk goed huwelijk zijn er weleens strubbelingen geweest, maar dat is voorbij. Het is ook louter vrijwilligerswerk: over centen zijn er dus weinig discussies.’ ‘Op het eind van het jaar wordt sowieso alles opgelost’, lacht Peeters. ‘Dan eten we met z’n allen de clubkas leeg en beginnen met een schone lei.’
Bron: Sabato 9 oktober 2025


